| [home] [biografie] [formule] [dagboek] [sitemap] [auteursrechten] [contact] | |
![]() |
|
| Kernwapens | |
|
Het maatschappelijk nut van kernwapens is in feite minimaal. Men zou kunnen stellen dat de afschrikwekkende kracht ervan een derde Wereldoorlog tussen de Verenigde Staten en de voormalige Sovjet-Unie heeft kunnen vermijden, en dat ze een eind gemaakt heeft aan de tweede Wereldoorlog. Maar toch is iedereen ervan overtuigd dat we teveel kernwapens hebben. En terecht, want de duizenden mensenlevens die Little Boy en Fat Man (respectievelijk boven Hiroshima en Nagasaki gedropt) geëist hebben, en de onleefbare woestijnen en dode zeeën die de kernproeven achtergelaten hebben, stellen onze Aarde zwaar op de proef. Toch waren kernwapens ook de basis voor kerncentrales waardoor wij dagelijks onze computer kunnen aanzetten. En wie weet, zullen we ze ooit kunnen gebruiken tegen een ons vijandig gezind buitenaards ras, of zal de waterstofbom het fundament blijken te zijn voor de waterstofsamenleving van morgen. Daarom een woordje uitleg over kernwapens. |
| Een kernwapen (of atoombom) is een type wapen dat gebruik maakt van de energie die is opgeslagen in de kernen van atomen om een ontploffing te veroorzaken. Er zijn twee grote soorten atoombommen: de bommen die gebruik maken van kernsplijting of kernfissie (de A-bom) en de bommen die gebruik maken van een kernfusie of samensmelting van atoomkernen (H-bom). Daarnaast bestaat nog de neutronenbom. | |
| De A-bom (kernsplijtingsbom) | |
|
Het principe waar een kernsplijtingsbom zijn energie vandaan haalt, is behoorlijk eenvoudig. In zware kernen, met veel kerndeeltjes (dit zijn protonen en neutronen, de bouwsteentjes van atoomkernen) worden de elkaar afstotende positieve protonen bijeengehouden door kernkrachten. Aangezien er veel protonen in zo'n zware kern zitten, moet er dus ook veel energie in die kern opgeslagen zitten. Als er op bepaalde van die zware kernen een neutronen wordt afgestuurd met de juiste kinetische energie (ook wel snelheid genoemd), krijgt die kern er een extra neutron bij, maar wordt hij wel onstabiel, met als gevolg dat hij uit elkaar valt in andere, lichtere atoomkernen en enkele neutronen. De som van de massa van die lichtere atoomkernen en neutronen is wel kleiner dan de massa van de oorspronkelijke kern, en uit Einsteins formule E=mc² kunnen we dus afleiden dat als de massa van een kern kleiner is, de energie in die kern dat ook is. Met als gevolg dat het verschil in energie ergens anders heen is (wet van behoud van energie). In dit geval is de energie vooral omgezet in hitte en straling. De factor c² toont goed dat met een miniem verlies aan massa, er al een grote hoeveelheid energie vrij komt, wat de grote kracht van kernbommen ten dele verklaart. Kernsplijting werkt ook niet met één splijtbare atoomkern, maar met een heleboel splijtbare atoomkernen, de splijtstof genoemd. De neutronen afkomstig van een eerste gesplitste atoomkern krijgen kinetische energie, en vliegen op andere atoomkernen in, die zich op hun beurt weer splitsen en energie en neutronen produceren, die op hun beurt weer atoomkernen laten splitsen enzovoort. Dit noemt men een nucleaire kettingreactie. De splitsing van het ene atoom zet de splitsing van het andere in gang. Toch komt dit in de natuur niet voor, omdat er nooit genoeg splijtbare kernen in de buurt zijn om een kettingreactie te vormen. Men spreekt dan van een kritische massa die niet bereikt wordt. Een kernwapen haalt zijn kracht uit het feit dat er na de eerste kernsplijting, verschillende nieuwe kernsplitsingen in gang gestoken zijn. Hiervoor is een superkritische (van het Latijnse super, wat boven, hoger of groter betekent) massa nodig, met nog meer splijtbare kernen zeer dicht bij elkaar. De (super)kritische massa blijft echter na de eerste kernsplitsing slechts zeer kort bestaan, aangezien de massa van de kritische massa zeer snel kleiner wordt, het zware atoom wordt immers omgezet in twee lichtere atomen. Men krijgt dan een subkritische massa, waarbij na een splitsing geen nieuwe splitsing ingezet wordt, en de nucleaire kettingreactie dus uitdooft. Dit hele proces duurt slechts ongeveer 1000 nanoseconden, of één microseconde. Dit heeft als gevolg dat het grootste deel van het splijtbare materiaal ongespleten blijft. Toch wordt er op een enorm korte tijd enorm veel energie opgewekt, met een gigantische vernietigende kracht tot gevolg. Tot zover de theorie. In praktijk zijn er twee relatief eenvoudig splijtbare stoffen, die beiden een grote massa hebben, en dus veel energie bevatten. Deze twee zijn het uraniumisotoop 235U, of het plutoniumisotoop 239Pu. Alle kernsplijtingswapens bevatten dan ook één van deze twee stoffen. Een uraniumbom heeft als splijtstof verrijkt uranium, dit is uranium dat kunstmatig een grote hoeveelheid 235U bevat. In de natuur komt uranium immers voor het grootste deel als 238U-isotoop voor, maar dat is lang niet zo goed splijtbaar als 235U. Een plutoniumbom heeft als splijtstof het 239Pu-isotoop. Dit wordt verkregen door het natuurlijke 238U in een kernreactor aan neutronen bloot te stellen. Het grootste obstakel bij kernwapens is het bereiken van de (super)kritische massa. De meest gebruikte methode is om rond een bol splijtstof, conventionele explosieven te plaatsen, en de explosieven te laten ontploffen op het moment dat de bol splijtstof met neutronen gebombardeerd wordt. De druk van de explosieven zal de splijtstof samendrukken (laten imploderen), tot een superkritische massa, en de neutronen zetten de nucleaire kettingreactie in gang. In een fractie van een seconde zal de bom exploderen met een kracht, gelijk aan die van enkele kilotonnen TNT (TriNitroTolueen, een uiterst krachtig explosief). Door toevoeging van beryllium, deuterium en tritium in de splijtstof, wordt de superkritische massa langer behouden, aangezien deze stoffen het aantal neutronen in de splijtstof langer op peil houden, en dus voor meer splijtingen zorgen. De eerste kernsplijtingsbommen werden gemaakt in de VS, waar in 1939 het Manhattanproject was opgestart om splijtbaar materiaal te produceren en om een atoombom te ontwerpen. Uit vrees voor de productie van een atoombom door Nazi-Duitsland, werd in 1943 Project Y opgestart, met als doel zo snel mogelijk een gevechtsklare atoombom te ontwikkelen. In 1945 vonden zowel de eerste kernproeven plaats, als de eerste en enige kernaanvallen op menselijke doelwitten. De uraniumbom Little Boy, gedropt op Hiroshima op 6 augustus, had een kracht van 12,5 kiloton TNT, en de plutoniumbom Fat Man, gedropt op Nagasaki op 9 augustus, had een kracht van 21 kiloton TNT. In het totaal waren deze bommen ruw geschat verantwoordelijk voor 300 000 doden, en ze betekenden het einde van de tweede Wereldoorlog. |
|
| De H-bom (kernfusiebom) | |
|
Deze bom werkt op basis van deuterium en tritium (soms wordt ook lithium gebruikt, de op twee na lichtste atoomsoort), twee isotopen van waterstof, afgekort D en T, ofwel 2H en 3H. Dit zijn, op gewone waterstof, 1H, na, de twee lichtste elementen van het universum. Als deze twee met hoge snelheid tegen elkaar aanbotsen, ontstaat er een onstabiel heliumisotoop, 5He, dat zich onmiddellijk ontbindt in 4He, het normale helium, en een neutron. Opnieuw is de som van de massa van het He en het neutron kleiner dan de som van de massa van het originele D en T, met als gevolg dat er volgens Einsteins formule weer een grote hoeveelheid energie is vrijgekomen. Het neutron veroorzaakt hier wel geen nieuwe kernfusie, dus van een nucleaire kettingreactie is hier geen sprake. Het grootste obstakel is hier dus niet om een kritische massa te bereiken, maar om de elkaar afstotende D en T te laten botsen en versmelten tot He. Dit kan alleen gebeuren vanaf een temperatuur van ongeveer 15 miljoen Kelvin, want alleen vanaf dan is de snelheid van de D- en T-atomen groot genoeg om te versmelten. Om de atomen zo heet te krijgen, wordt er bij waterstofbommen rond de fusiebrandstof (dit zijn D en T) een mantel van plutonium of uranium geplaatst, waarrond nog eens explosieven zitten. De explosieven ontploffen, het plutonium of uranium wordt samengedrukt waardoor in deze radioactieve elementen een superkritische massa bereikt wordt.
Ze beginnen een kernsplijting, die doorgaat als nucleaire kettingreactie. De vrijgekomen energie door kernsplijting laat de D- en T- atomen botsen, en dus de waterstofbom ontploffen. Eigenlijk gebruikt men dus een kernsplijting om de nodige energie voor de nog krachtigere kernfusie te bekomen. De kernfusiebom is ontwikkeld in de VS tijdens de Koude Oorlog. Op 1 november 1952 werd de eerste waterstofbom tot ontploffing gebracht nabij de Marshalleilanden. Deze had een kracht van 10 000 kiloton TNT, ofwel 10 megaton TNT. Op 30 oktober 1961 liet de USSR de krachtigste bom ooit ontploffen: de waterstofbom Tsar Bomba explodeerde boven Nova Zembla met een kracht van 50 megaton TNT. Er is tot op heden nooit een kernfusiebom tegen een menselijk doelwit gebruikt. |
|
| De neutronenbom | |
| Zowel de A-bom als de H-bom kunnen zo aangepast worden dat er in plaats van een grote explosieve kracht, een grote hoeveelheid neutronen vrijkomt. De bedoeling hiervan is om wel mensen, maar geen infrastructuur te vernietigen. De neutronen doordringen immers alle gebouwen, en doden alle leven. Ook ontregelen ze fijne elektronica. Deze bommen zijn nog steeds kernbommen, maar hun explosieve kracht is dus wel minder, waardoor het grootste deel van de gebouwen overeind blijft, indien de bom op voldoende afstand tot ontploffing is gebracht. Deze bom wordt vooral gezien als een geschikt verdedigingsmechanisme tegen grote vijandelijke legers. De eigen bevolking zou enkele dagen onder de grond schuilen, terwijl een neutronenbom, geëxplodeerd op 10 km hoogte, het vijandelijke leger zou uitmoorden. Als de eigen bevolking dan weer bovengronds komt, zouden hun huizen er nog staan. | |
| terug naar het dagboek | |